Bouwkundig woordenboek

Bouwkundige woorden en termen bestaande bouw.

Klik op een van de onderstaande termen om de betekenis te vinden:

A

Aanaarden,
Aanhoeker,
Aanleggen,
Aanslag,
Aantrede,
Aanwerken,
Aanzet,
Afföhnen,
Afhangen,
Afschot,
Afsnuiten,
Algemene voorwaarden,
Amoveren,
Amsterdamse fundering,

B

Baak,
Badding,
Bankhamer,
Bekisting,
Berapen,
Bestek,
Betonskeletbouw,
Bint,
Blauwpleister,
Boeibord,
Bouwmateriaal,
Bovendorpel,
Broekstuk,

C

Chamottesteen,
Coating,
Compressor,
Constructief,

D

Dagmaat,
Dakdoorvoer,
Daktrim,
Deuvel,
Dilatatie,
Dosse gezaagd hout,
Draadnagel,
Driekiezoor / Drieklisoor,
Drijfsteen,
Duim,
Duimstok,
Duivejager,

E

Elementenbouw,
Els,
Espagnolet,
Ezelsrug,

F

Fels, felsnaad,
Fineer,
Frees,
Fretboor,
Fijn schuurwerk,
Fundering,

G

Gebluste kalk,
Gebouw,
Gekantrecht hout,
Geschifte steen,
Glaslat,
Gresbuis,
Gootbeugel,
Gording,
Granol,

H

Halfsteensmuur,
Hanebalk,
Hart-op-hart,
Hoekkeper,
Hoektroffel,
Houtskeletbouw,
HWA,

I

IFD,
Inbouwplan,
Inbussleutel,
Inkassing,
Inwassen,

J

Juffer,
Jufferkap,

K

Kalf,
Kantelaaf,
Keermuur,
Keet,
Keilbout,
Keper,
Kiellaag,
Kiezel,
Kilkeper,
Kipkar,
Klamp,
Klapzand,
Kunststof-kozijnen,
Klepraam,
Knikpan,
Knip- en snijwerk,
Kraal,
Kubel,

L

Latei,
Lintvoeg,
Loggia,
Loket,
Loodslabbe,

M

Maaiveld,
Makelaar,
Mal,
Mansardekap,
Meerwerk,
Metselen,
Minderwerk,
Mortel,

N

Natte cel,
Neuslijst, Neusstuk,
Neut,
Noest,

O

Onderaannemer,
Onderslagbalk,
Ontzet,
Opperman,
Optrede,
Opzetter,
Overstek,

P

Paal,
Panieksluiting,
Panlat,
Paslaag,
Patio,
Peil,
Piket,
Piron,
Pielmannetje,
Platvol voegen,
Potdekselen,
PKVW,
Pui,

R

Rabat,
Rachel / Raggel,
Raveelbalk,
Renoveren,
Rensdak,
Ringsleutel,
Rollaag,
Rooilijn,
Ruit,

S

Scheluw,
Schoon werk,
Schoorsteen,
Schranken,
Schulpen,
Skelet,
Slaper,
Spar,
Spil,
Spoor,
Spouwmuur,
Spuwer,
Staal,
Steen,
Steiger,
Stelpost,
Stempel,
Stucadoren,

T

Te lood,
Tengel,
Trapboom,
Troffel,

U

Uitbloeding,
Uitslag,
Uitvoerder,

V

Vakwerk,
Vallicht,
Varken,
Velling,
Verband,
Verduurzamen,
Verfbestek,
Verholen goot,
Verkenning,
Vledder,
Vlijlaag,
Vogelschroot,
Voorschot,
Vuil metselwerk,

W

Wand,
Wang,
Wapening,
Wateren,
Waterhol,
WBDBO,
Welstandstoezicht,
Welstuk,
Werktekening,
Windveer,
Wolfseind,

Z

Zakgoot,
Zaling,
Zakker,
Zetting,
Zoeten,
Zoetschaaf,
Zoom,


Aanaarden

Met aarde of zand aanvullen rondom funderingsmetselwerk.


Aanhoeker

Schuin afgehakte dakpan ter plaatse van een hoekkeper of kilkeper.


Aanleggen

Het beginnen van een bouwwerk door het leggen van de eerste laag stenen voor
gemetselde funderingen van opgaande muren.


Aanslag

Gedeelte van de stijl en de dorpel, waartegen een deur of draaiend raam sluit en
waarbij, meestal onder een rechte hoek, de sponning aansluit. De aanslaglijst
heet ook -> naald.


Aantrede

Het waterpas gelegen vlak van een traptrede; (als maat) de afstand tussen twee
opeenvolgende stootborden of optreden.


Aanwerken

Zorgvuldig opsluiten in metselwerk (muurzijden van kozijnen e.d.).


Aanzet

Geboorte of begin van een boog of van een gewelf; de eerste steen of laag boven
de rechtstand, die al deel is van de kromming van de boog of de gewelfkap.
Hieraan beantwoordt de aanzetvoeg, die onder een ongeveer rechte hoek op de
druklijn van de boog komt te staan.


Afföhnen

Verwijderen van oude verflagen met hete lucht. De verflaag wordt zacht en kan
vervolgens gemakkelijk worden afgekrabd. Deze methode is veiliger en beter voor
de gezondheid dan afbranden.


Afhangen

Een deur of raam goed haaks afwerken en in de scharnieren hangen.


Afschot

Opzettelijke afwijking van de horizontale ligging van een goot, plat dak, stoep,
terras, balkon of afvoerbuis, die voorkomt dat er water in of op blijft staan.
Ook als maataanduiding gebruikt bij rioolstelsels en vloeistof bevattende
leidingnetten, hier ook verhang genoemd.


Afsnuiten

Afwerken van houten (constructie) delen door de scherpe kanten weg te nemen.


Algemene voorwaarden

Zie ook bestek. De voorwaarden waaronder een bouwwerk wordt uitgevoerd en waarin
alle rechten en plichten van aannemer en opdrachtgever staan omschreven.


Amoveren

Amoveren is een ander woord voor slopen.


Amsterdamse fundering

Paalfundering waarbij twee houten palen naast elkaar worden verbonden door een
kesp. Daarop is het dikke vloerhout bevestigd, waarop gemetseld wordt.


Baak

Stelsel van waterpas aangebrachte planken waarbinnen het bouwwerk gemaakt moet
worden. Op de planken wordt met een zaagsnede de maatvoering van het opgaande
werk aangegeven.


Badding of Batting

Balk van naaldhout met een doorsnede van 6,5 x 16,5 cm, soms 15, 14 of 13 cm
hoog. Ook wel batting genoemd.


Bankhamer

Kleine voorhamer met een bolle (voor het bewerken van plaatwerk) of vlakke kop
(voor werk aan de werkbank).


Bekisting

Schotwerk om betonspecie (nog niet verhard mengsel van cement, zand, grind en
water) in de gewenste vorm hard te laten worden.


Berapen

Een muur bedekken met een laag mortel, een mengsel van kalk en zand en deze (al
of niet ‘onder de rij’) effen schuren (vgl. vertinnen); voor buitenmuren wordt
cement toegevoegd, tegen het invreten van vocht en om verstening te bevorderen.
Bij de beraping van boerenhuizen wordt wel gemalen baksteen bijgemengd.


Bestek

Volledige beschrijving van een te maken bouwwerk, inclusief de materiaalkeuze,
de uitvoeringsvoorwaarden, de opleveringsdatum en de prijs met alle voorwaarden
en voorschriften die daarbij van belang zijn. Het bestek kan met de
bestektekeningen de basis vormen van het contract tussen opdrachtgever en
aannemer.


Betonskeletbouw

Bouwmethode waarbij het skelet van het gebouw is opgetrokken van beton. Dit
skelet vormt de draagconstructie van het gebouw.


Bint

Ander woord voor (draag)balk.


Blauwpleister

Een zo dun mogelijk laagje witpleisterwerk (mengsel van kalk en gips) om muren
vlak en glad te maken.


Boeibord

Opstaande kant van een (houten) dakgoot.


Bouwmateriaal

Stof, natuurlijk of kunstmatig vervaardigd, geschikt en gebruikt voor de
constructie, beschutting en versiering van een gebouw, allereerst dus hout en
(natuur- of bak) steen, beton, staal, kalk, zand, cement, leien, pannen, lood,
zink, vervolgens glas, gips, verf, tegels, metalen en kunststoffen.


Broekstuk

1. Verbindingsstuk tussen twee delen van een goot, dat uitzetting door
temperatuurverschillen mogelijk maakt.
2. Dakpan voor een punt waar verschillende dakvlakken bijeenkomen.
3. Hulpstuk op de splitsing van een buisleiding.


Chamottesteen

Vuurvaste steen van gebakken klei die wordt gebruikt voor het bekleden van open
haarden en schoorstenen.


Coating

Materiaallaag die door sproeien, gieten of verven op een oppervlakte wordt
aangebracht.


Compressor

Apparaat dat lucht (of een ander gas) onder hoge druk brengt. Die druk wordt
gebruikt voor het aandrijven van gereedschap of een machine.


Constructief

In overeenstemming met, beantwoordend aan, de eisen van de constructie.


Dagmaat

De maat van een opening, b.v. van een raam- of deurkozijn.


Dakdoorvoer

Waterdichte passende plaat met pijp in de dakbedekking voor ventilatie- en
rookkanalen.


Daktrim

Aluminium profiel op een dakrand, meestal gebruikt als afwerking.


Deuvel

Rond houten staafje, dat in twee aan elkaar te verbinden houten elementen in een
rond gaatje wordt gelijmd, waardoor een goede verbinding ontstaat. Voornamelijk
bedoeld om verschuiven te voorkomen.


Dilatatie

Ontworpen bewegingsvoeg om uitzetting en krimp tussen bouwdelen op te vangen.


Dosse gezaagd hout

Hout dat evenwijdig aan de jaarringen wordt gezaagd.


Draadnagel

Machinaal vervaardigde spijker van getrokken staaldraad met opgestuikte kop.
Sedert ca. 1830.


Driekiezoor / Drieklisoor

Een driekwart metselsteen.


Drijfsteen

Lichte bouwsteen, vervaardigd van lichtgewicht toeslagstoffen zoals bims
(vulkanisch puinsteengruis), gebonden met Portlandcement. Blijft door de in bims
opgesloten lucht op water drijven, in tegelstelling tot de van hoogovenslakken
gemaakte stenen. Wordt foutief wel tufsteen genoemd.


Duim

– Ronde pen, haaks omgezet of
bevestigd op een haaks op de pen staande ondersteuning voor het verkrijgen van
een draaipunt voor een geheng.

– Oude lengtemaat, ter grootte van
de breedte van de menselijke duim, ongeveer 2,5 cm. De duim was verdeeld in 8,
10 of 12 onderdelen, die soms greinen, lijnen of strepen werden genoemd, terwijl
er 10, 11, 12 of 13 duimen in een -> voet gingen. Enkele van de bekendste duimen
zijn: Amsterdamse duim (2,573 cm), Rijnlandse duim (2,616 cm) en de Engelse duim
(2,54 cm). Bij de invoering van het metrieke stelsel in 1820 werd de duim gelijk
gesteld aan de centimeter. In het bouwvak wordt de term daarvoor nog wel
gebruikt.


Duimstok

Letterlijk: stok waarmee duimen worden gemeten, thans meetlat, meestal van 1
meter lengte, ca. 10 mm breed en 5 mm dik, door scharnieren opvouwbaar tot een
lengte van 25 cm, gewoonlijk gemaakt van -> palmhout.
De beide kanten zijn voorzien van een maatverdeling volgens het metrieke
stelsel, de smalle zijde is voorzien van maatverdeling in inches of in
Amsterdamse duimen, waarin voorheen in Nederland het hout werd gemeten.


Duivejager

Profilering aan houten ramen, kozijnen en balklagen, bestaande uit een
ingesnoerde kwartronde overgang tussen twee haaks op elkaar staande vlakken van
het hout.


Elementenbouw

Bouwen met in de fabriek gemaakte kant-en-klare onderdelen, bijvoorbeeld
betonnen gevels, wanden en vloeren. Veelal gebruikt bij nieuwbouw.


Els

Ander woord voor priem.


Espagnolet

Deur- of raamvergrendeling in de vorm van stangen.


Ezelsrug

Metselconstructie toegepast als afwaterende beëindiging van gevelvlakken, tuin-
en erfmuren en -> beren in waterlopen. De stenen zijn staand verwerkt, meestal
onder een hoek van 45 graden, vanaf beide zijden van de muur waarbij beide
vlakken elkaar ontmoeten in een scherpe hoek boven de muur. Als variant ook
mogelijk met een platte steen als afdekking van de toplijn.


Fels, felsnaad

Randafwerking van zinken, koperen of loden goten en dakbedekkingen waarbij het
materiaal door vouwen of zetten een vlakke afwerking krijgt. Felsnaad: gevouwen
of gezette verbinding van loden of koperen bladen onderling zonder gebruik van
soldeer of klinknagels e.d.


Fineer

Heel dun geschilde of gesneden bladen hout.


Frees

Een spil of schijf van staal voorzien van een profiel, waarmee groeven of
sleuven worden aangebracht in metaal of hout.


Fretboor

Speciale handboor voor het boren van kleine, diepe gaatjes op moeilijk
bereikbare plaatsen en kleine gaatjes in dun materiaal.


Fijn schuurwerk

Afwerklaag van kalk, gips en zilverzand voor wanden en plafonds.


Fundering

Ondergrondse of althans verlaagd gelegen ondersteuning van een gebouw, waarop
het fundament wordt opgetrokken. In hoofdzaak drieërlei:
– fundering op staal, dat wil zeggen onmiddellijk op de voldoende harde bodem of
op een hiervoor gespreide betonlaag.
– roosterfundering, waarbij op de ongeroerde grond een roosterwerk van houten
ribben en platen wordt gelegd.
– paalfundering, metsel- of betonwerk steunend op houten of betonnen
constructies die door ingeheide palen wordt gedragen.


Gebluste kalk

Kalk die is ontstaan door het verhitten van kalksteen en die voordat het
gebruikt wordt eerst met water wordt bewerkt (geblust).


Gebouw

Voortbrengsel van bouwnijverheid, dat wat ontstaat door bouwen, waaronder te
verstaan het stapelen en metselen van stenen, het timmeren van hout, het gieten
van mortel en beton, het construeren van een stalen omhulsel (een en ander ook
voor welving en andere overdekking), waardoor een product van enige duurzaamheid
en omvang wordt gevormd, waarin de mens een beschutte gelegenheid voor woning,
berging, uitoefening van arbeid, vergadering of voor de religieuze cultus vindt.


Gekantrecht hout

Hout dat aan vier zijden rechthoekig en parallel is afgezaagd.


Geschifte steen

Metselsteen die ontstaat doordat de hele steen in de lengterichting horizontaal
is doorgezaagd.


Glaslat

Lat van hout, aluminium of kunststof die op het kozijn wordt bevestigd voor het
vastzetten van ruiten.


Gresbuis

Rioolbuis gemaakt van vette klei en chamotte met een glad en keihard oppervlak.


Gootbeugel

Beugel waarin de dakgoot leunt.


Gording

Oorspronkelijk houten ligger, aangebracht in de lengterichting van een kap,
waarvan twee zijden evenwijdig zijn aan het dakvlak. Later ook soortgelijke
elementen, waarvan de boven- en onderzijde horizontaal zijn. Vgl. vliering.


Granol

Sterk sierpleisterwerk met een meer of minder grove structuur.


Halfsteensmuur

Muur van dezelfde dikte als de halve lengte van een metselsteen.


Hanebalk

Horizontaal verbindingselement tussen twee daksporen, die tegenover elkaar
staan. Bij sporenkappen zijn er meestal enige hanebalken boven elkaar. De
bovenste (of enige) is vrij dicht onder de daknok. Ook: haanhout of haanbalk.
Omdat de doorsnede vrijwel die van de sporen is, is de term balk in feite niet
juist. Zie spoor.


Hart-op-hart

Afstand tussen het midden van de ene balk tot het midden van de andere balk.


Hoekkeper

De uitwendige hoek tussen twee dakschilden.


Hoektroffel

Gereedschap van een stukadoor waarmee hij rechte hoeken kan maken op
gepleisterde muren en plafonds.


Houtskeletbouw

Bouwmethode waarbij de dragende delen van het gebouw gemaakt zijn van een houten
skelet van balken, kolommen en platen.


HWA of H.W.A.

Afkorting van: Hemel Water Afvoer / Hemelwaterafvoer.


IFD

Afkorting van: Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen.


Inbouwplan

Dat deel van het woningontwerp dat gaat over het binnenwerk. Bijvoorbeeld
niet-dragende muren, de keuken en de badkamer.


Inbussleutel

Klein L-vormig stalen staafje met twee gebruikszijden voor het schroeven van
zeskantige schroeven.


Inkassing

Opening of kas die de metselaar in een muur laat of in een bestaande muur maakt,
rekening houdend met de aansluiting van een andere, nog op te trekken, muur. De
eerste muur krijgt met dat doel dus een staande tand.


Inwassen

Vullen van de voegen na het aanbrengen van tegels.


Juffer

Over een gedeelte van de lengte beslagen spar, als rondhout uit de Oostzee
landen ingevoerd, vooral voor steigerpalen en jufferkappen. Ook gebruikt als
dunne heipalen. De lengten lopen van 15 tot 30 voet (4-8 m.) Vgl. spoor.


Jufferkap

Eenvoudige kapconstructie, bij voorkeur met behulp van juffers, zonder
dakbeschot en waarbij de panlatten het verband in de lengterichting van de kap
vormen. Gebruikt voor boerderijen, schuren en stallen.


Kalf

1. Dwarsregel tussen een deur en haar bovenlicht. Ook horizontale regel in
kruiskozijn tussen luikopening onder en glasvlak boven, vroeger glashout
geheten.
2. Schuin verbindingsstuk in de driehoek tussen muurstijl, korbeel en
sleutelstuk in een balkgebint, tussen dakspoor en gewelfhout of tussen spantbeen
en korbeel in een kapconstructie.
3. Balkstuk tussen een balk en een daarin geraveelde halve balk, waarin weer
een halve balk geraveeld wordt.


Kantelaaf

1. Neg, dagkant, vooruitspringend muurwerk om een kozijn, al of niet betimmerd
met een kantstuk; plaatselijk met een platte voorkant van de kozijnomlijsting
(aan straatzijde).
2. Lichte nisachtige voorsprong, overgangslid tussen een muur of pijler en een
pilaster of muurzuil.


Keermuur

Muur om de druk van een hoger gelegen bodem, b.v. van een heuvel of een
berghelling, te weerstaan.


Keet

Eenvoudig (houten) gebouwtje.


Keilbout

Bout waarmee zware voorwerpen aan de muur worden vastgemaakt.


Keper

1. In dakconstructies eertijds een rib die steunt en vastgenageld is op ->
gordingen en loopt van nok tot voet, in tegenstelling tot de spoor of span die
los staat. Vooral in Zuid-Nederland in gebruik. Thans alleen nog in
samenstellingen als hoekkeper en kilkeper.
2. Ornament, bestaande uit twee elkaar onder een scherpe hoek ontmoetende brede
lijnen, afgeleid van de heraldische keper, b.v. keperboog, keperfries en
gewelfribdecoratie.


Kiellaag

Laag metselwerk van verlopende dikte om fout te corrigeren, varken.


Kiezel

Grind, brokjes kwarts, door slijtage en afschuring in het diluvium ontstaan,
gewoonlijk met grof zand vermengd te vinden op heidevelden en in
rivierbeddingen. Gebruikt voor de verharding van wegen, het aanmaken van beton
of het vormen van een onderlaag onder funderingen.


Kilkeper

De inwendige hoek tussen twee dakschilden.


Kipkar

Klein karretje voor het vervoeren van materialen als zand en steen over een smal
spoor op de bouwplaats. De kar heeft een bak die gekanteld kan worden.


Klamp

Houten lat waarmee planken of schroten bijeen worden gehouden.


Klapzand

Zand dat onder de bestrating van tegels en straatwerk wordt gebruikt.


Klepraam

Tuimelraam.


Knikpan

Dakpan waarmee een dak waarin een knik zit ononderbroken bedekt wordt.


Knip- en snijwerk

Afwerking van metselwerk waarbij de voegen volgezet worden, vervolgens langs de
rij gestreken en tenslotte langs de kanten met een voegijzer of een mesje schuin
afgesneden (de lintvoegen afwaterend en bij snijvoegen flink uitstekend).


Kraal

Buitenkant van een zinken goot.


Kubel

Trechtervormig vat waarmee beton in de bekisting wordt gegoten.


Latei

Balkvormig element van hout, steen of ijzer, dat een venster, ingang of andere
opening van enige breedte overspant en het bovenliggende muurwerk draagt, tenzij
er een ontlastingsboog over is geslagen.


Lintvoeg

Horizontale voeg tussen twee lagen metselwerk. Ook lopende, liggende, leger- of
strekse voeg genoemd.


Loggia

Een inpandig balkon.


Loket

1. Klein afsluitbaar compartiment voorzien van een raampje of winkel, waardoor
aan het publiek plaatsbewijzen, reisbiljetten of geldswaarden worden uitgereikt.
2. Loden slab waarmee de naad tussen de muur of schoorsteen en een dakvlak
waterdicht afgedekt wordt.


Loodslabbe

Stroken lood voor het maken van waterdichte aansluitingen tussen constructies.


Maaiveld

Hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.


Makelaar

Middenstijl van een kapspant, waarin de nok is ingelaten en de kapbenen, evt.
ook de hoekkepers samenkomen. De makelaar aan de gevelzijde wordt soms verlengd
en van een spitse topversiering voorzien, al of niet met lood bekleed en met een
piron, die zelf ook wel makelaar genoemd wordt. Decoratieve bekroning van een
houten geveltop bij huizen en molens.


Mal

Model, vorm, formeel of patroon waarnaar iets wordt vervaardigd, een profiel
wordt afgetekend of waarin een vorm wordt gemodelleerd.


Mansardekap

Dak dat bestaat uit twee geknikte vlakken.


Meerwerk

Extra werk voor de aannemer dat van tevoren niet is begroot (bijvoorbeeld extra
stopcontacten of duurdere kranen).


Metselen

Bouwstenen met specie tegen en op elkaar leggen. Men spreekt van ‘over de hand’
metselen, als aan de buitenzijde van de muur schoon werk zichtbaar zal zijn en
er van binnenuit moet worden gemetseld, wanneer het normale van buitenaf
metselen onmogelijk is.


Minderwerk

Werk dat wel is begroot, maar tijdens de uitvoering komt te vervallen
(bijvoorbeeld één wastafel plaatsen in plaats van twee, zoals oorspronkelijk
bedacht).


Mortel

Uitgehard mengsel van cement, zand en water.


Natte cel

Bouwkundige benaming voor badkamer.


Neuslijst, neusstuk

Geprofileerde lijst op het buiten- boeibord van een goot.


Neut

1. Kraagstuk, waarop het einde van een balk rust.
2. Blokje van steen of hout waarop de stijl van een deur of vensterkozijn rust.
3. Afdekstukje over de naad tussen weldorpels bij een stolpraam of -deur.
4. Traditioneel drankje bij het afsluiten van de werkweek.


Noest

Ander woord voor kwast.


Onderaannemer

Aannemer die in opdracht van een hoofdaannemer een bepaald onderdeel van de
verbouwing voor zijn rekening neemt, bijvoorbeeld een stukadoor of schilder.


Onderslagbalk

Horizontale balk om bovenliggende muur op te vangen.


Ontzet

Uit het verband geraakt, ingezakt, gescheurd (van een fundament, muur of
pijler).


Opperman

Degene die de specie aanmaakt en dat samen met de stenen bij de metselaar
brengt.


Optrede

Hoogteverschil tussen de bovenzijden van twee treden van een trap. Vgl.
aantrede.


Opzetter

1 – Opgaande stijl waarmee men een verhoging maakt, b.v. om een dakvlak te
verhogen.
2 – Betonopzetter op een houten heipaal om ervoor te zorgen dat de houten
paalkop niet boven het grondwater uitkomt.


Overstek

Het overstekende deel van een dak of gootconstructie.


Paal

Voorwerp van enige lengte, waarvan de lengte vele malen groter is dan de
doorsnede, b.v. ter afscheiding van een terrein of ter markering van een punt.
Materiaal: hout, natuursteen, beton of ijzer, tegenwoordig ook kunststof.


Panieksluiting

Sluiting die op de binnenkant van een dubbele deur is bevestigd en door druk op
een horizontale stang kan worden geopend. Als bij paniek tegen de deuren – en
dus tegen de stang – wordt gedrukt, openen de deuren zich vanzelf.


Panlat

Horizontale lat waaraan de dakpannen worden gehangen.


Paslaag

Bovenste waterpas gelegde metsellaag van een fundament.


Patio

Een volledig door het gebouw omsloten binnentuin.


Peil

Bovenkant beganegrondvloer en uitgangspunt voor de hoogtemaatvoering.


Piket

Kleine, ronde paaltjes met een oranje kop waarmee de plek van het te bouwen
object wordt gemarkeerd.


Piron

Keramisch sierelement dat wel gebruikt wordt als afwerking van het punt waar
drie dakvlakken bij elkaar komen.


Pielmannetje

Afstandslatje tussen betonbekistingen.


Platvol voegen

Metselvoegen volstrijken met nog natte specie, zodat de voorkanten gelijk liggen
met die van de stenen, teneinde het werk een fors aanzien te geven. Te
onderscheiden van knip- en snijwerk.


Potdekselen

Planken voor een schutting, een schuurdak, een gevelvoorschot over elkaar
spijkeren, ongeveer op de wijze van dakpannen of schubben (geschubd), teneinde
inwatering tegen te gaan. In Noord-Holland noemt met een gepotdekselde houten
buitenwand een getrapte weeg.


PKVW

Afkorting van Politie Keurmerk Veilig Wonen.


Pui

Onderste deel van een gevel.


Rabat

1. Groef of sponning in een kozijn of dubbele deur.
2. Groef in houten deel, waarmee deze over of tegen een andere sluit.


Rachel / Raggel

Horizontale houten lat waaraan plafonds worden bevestigd.


Raveelbalk

Dwarsbalk die de draagbalken rondom een vloeropening opvangt, bijvoorbeeld bij
een trapgat.


Renoveren

Herstellen en zo nodig gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, vooral een
woonhuis, waardoor het weer bruikbaar is naar de dan geldende maatstaven.


Rensdak

Dak bedekt met leien die aan de onderkant rond zijn.


Ringsleutel

Sleutel met een stalen steel waarmee zes- of twaalfkantige moeren en bouten
vast- of losgedraaid worden.


Rollaag

Reeks van gemetselde stenen op hun kant, b.v. als afdekking van of laag onder
een kozijn, als afdekking van een muur of topgevel. Een rollaag is vaak een
halve steen hoog.


Rooilijn

Grens tot waar gebouwd mag worden.


Ruit

Glazen plaat, oorspronkelijk ruitvormig, thans gewoonlijk rechthoekig of
vierkant, die in een raam wordt bevestigd. Vensterglas werd oorspronkelijk als
schijf geblazen. Daaruit werden ruitvormige stukjes gesneden, omdat op die wijze
het gunstige gebruik werd gemaakt van de cirkelvormige structuur en het minste
afval ontstond. Na een wijziging in de fabricagewijze in de 16e eeuw werden in
hoofdzaak rechthoekige glasruiten gemaakt. Door de verbeteringen van de
fabricagetechnieken kon men steeds grotere ruiten maken, maar de naam is nog
steeds afgeleid van de meetkundige figuur, die het stukje glas oorspronkelijk
had.


Scheluw

Materiaal dat scheef of kromgetrokken is door vocht of droogte.


Schoon werk

Zorgvuldig afgemaakt metselwerk, bestemd in het gezicht te komen (niet bedekt
door pleisterwerk, betimmeringen, bespanning e.d.).


Schoorsteen

Gemetselde en beklede ondersteuning (schoor) van de rookvanger boven een tegen
de muur aangelegde stookplaats, de onderboezem voortzetting van de schouw. De
huidige vorm (architraaf met lijst of tablet) is sinds midden 17e eeuw in zwang,
naar gelang het gebruik van open vuur beperkt werd. In de middeleeuwen placht
het rookkanaal over een deel van zijn hoogte naar buiten gemetseld te zijn,
vandaar: schoorsteenstoel, -schacht, of -pijp, het boven het dak uitstekende
gemetselde deel van het rookkanaal, rechthoekig of rond, ook (bij fabrieken)
geheel vrijstaand.


Schranken

Uit het haaks verband verzakken (van een houten bouwsel, een kapconstructie, een
kast e.d.), uit de rechte lijn wijken.


Schulpen

Overlangs zagen van hout.


Skelet

Stijf samenstel van verticale stijlen en horizontale balken of liggers in een
gebouw dat het geheel draagt. Daartussen of overheen zijn vloeren en wanden
aangebracht. Een skelet kan van hout, gewapend beton of staal zijn.


Slaper

Steunende ligger in een kapconstructie.


Spar

Zie Spoor


Spil

Verticale as waarin de treden van een wenteltrap met hun ene einde bevestigd
zijn.


Spoor

Betrekkelijk dun stuk hout, rond of rechthoekig van doorsnede, dat van de
dakvoet tot de nok loopt en dat door middel van latten of dakbeschot de
dakbedekking draagt. Vroeger werd ook van spar gesproken, welke term niets met
de boomsoort te maken heeft. Er was veelal sprake van eiken sparren.


Spouwmuur

Muur bestaande uit twee evenwijdige, door een smalle luchtruimte (spouw)
gescheiden delen, waarvan het ene gewoonlijk ter dikte van een halve steen, om
het inwendige van een huis tegen kwade invloeden van temperatuur en tegen vocht
te beschermen.


Spuwer

Uitmonding van een goot, een verlaatbak of een waterbekken. In de middeleeuwen
gaf men de ver uitstekende spuwers graag de vorm van een dierlijk of diabolisch
monster, later omgaf met de uitlaat liefst met een leeuwenmasker.


Staal

1. Ondergrond, harde bodem. ‘Op staal funderen’.
2. Hard ijzer, oorspronkelijk koolstofarm ijzer, dat plotseling in water
gekoeld werd. Tegenwoordig wordt al het ijzer met een laag koolstofgehalte staal
genoemd, ook als is het niet gehard.


Steen

1. Harde delfstof die niet smeedbaar is, niet brandbaar, niet in water
oplosbaar is en als bouw-, breuk-, of veldsteen in de bouwkunst wordt gebruikt,
natuursteen.
2. Kunstmatig, door hard bakken van een weke grondstof of door verstening aan
de lucht van mortels vervaardigde stof. Hiervan is baksteen de voornaamste,
verder kalkzandsteen, drijfsteen, betonsteen, voorts samenstellingen met
chemische verhardingsmiddelen die zich als muur- en vloerbekleding lenen
(terracotta, kunstgraniet, marmercement) of voor beeldhouwwerk (Engelse
stucco’s, campo, coade-steen enz.).


Steiger

1. Bouwstelling, stellage voor een werk in aanbouw geplaatst naar gelang dit
hoger wordt opgetrokken of wordt gerepareerd. Voor de voornaamste onderdelen,
staander, schakel, korteling, kruisschoor. Vliegende steigers (voor
herstellingen aan goten en kroonlijsten) worden op balken uit de vensters van de
bovenverdieping of bewust opengelaten kortelinggaten onder de kapvoet
uitgestoken. Rotterdammer steiger heet een door huisschilders gebruikte hangende
steiger, bestaande uit twee jukken die over een kozijndorpel worden bevestigd en
waarop planken worden gelegd.
2. Aanleg- landingssteiger: een paar of een reeks geschoorde jukken die een
plankier boven het water dragen en van wrijfhouten (tegen aanvaring) zijn
voorzien.


Stelpost

Onderdeel van de begroting dat nog niet exact vastgesteld kan worden, maar wel
geschat. Bijvoorbeeld de nog niet definitief uitgekozen keuken.


Stempel

1. Stijl die een formeel draagt of (meestal schuin gesteld) een bouwvallige
muur schoort.
2. Balk of schoorhout tussen twee overstaande wanden of dammen om te
verhinderen dat deze naar elkaar toe wijken.


Stucadoren

Stucwerk maken. Foutief voor alle pleisteren gebruikt.


Te lood

Honderd procent recht.


Tengel

Houten lat, van 10 x 50 mm tot 22 x 75 mm, veelal gebruikt om bij een beschoten
dak de panlatten op te spijkeren.


Trapboom

Deel van de trap waarin de traptreden vastliggen.


Troffel

Metselgereedschap waarmee specie wordt aangebracht.


Uitbloeding

Uitslag van zout in het metselwerk.


Uitslag

Tekening van een bouwdeel zoals trap, gewelf of kapconstructie in het platte
vlak op een schot, waarnaar de onderdelen nauwkeurig kunnen worden gemaakt,
eventueel met behulp van een naar de uitslag gemaakt -> mal.


Uitvoerder

Medewerker van het bouwbedrijf die belast is met de dagelijkse leiding op de
bouwplaats.


Vakwerk

Constructie waarbij balken en staven, volgens een stelsel van rechthoeken en/of
driehoeken, aan de uiteinden en/of kruiselings (kruishouten, schoren) verbonden
worden tot een onwrikbaar geheel. Zowel toegepast voor wanden (vakwerkbouw) als
voor draagconstructies (vakwerkligger ). Een moderne toepassing is het
ruimtevakwerk, zoals de dakconstructie van de nieuwe RAI-hallen in Amsterdam
(1981).


Vallicht

Raam aangebracht in het dakvlak waardoor meer licht valt op de gang of op de
trap.


Varken

Zie Kiellaag.


Velling

Afschuining, afsnuiting van een balkhoek, een dorpel enz., meestal onder een
hoek van 45 graden.


Verband

Verbinding, samenvoeging van bouwdelen tot een onwrikbare, bij houtbouw ook wel
enigszins minder vaste samenstelling. Ook: metselverband.


Verduurzamen

Conserveren van hout om het te beschermen tegen aantasting.


Verfbestek

Omschrijving van het uit te voeren schilderwerk, bijvoorbeeld te gebruiken
verfsoorten en de volgorde waarin geschilderd wordt.


Verholen goot

Onder de dakbedekking liggende en derhalve vrijwel onzichtbare goot.


Verkenning

1. Onregelmatigheid, geringe terugsprong in het vlak of de voegen van
metselwerk (die een wijziging in de opbouw of een herstelling kan aanduiden).
2. (Timmermansterm) Smal randje van een sponning, dat ontstaat door het iets
terug liggen van een deur of raam ten opzichte van de koplat en het belegstuk
van de kozijnomlijsting.


Vledder

Behangborstel.


Vlijlaag

Niet met mortel gemetselde laag van stenen op hun plat, als onderlaag voor een
weg, een vloer, een muur, een fundering op -> staal; (primitiever) van gestampte
en geëffende leem, klei, grint.


Vogelschroot

Plank aan de onderzijde van een pannendak, waarvan de bovenlijn de gegolfde
onderlijn van de pannen volgt. Op deze wijze wordt voorkomen dat vogels onder de
pannen kruipen om er te nestelen.


Voorschot

Houten bekleding van het bovendeel van een gevel zoals in de Zaanstreek
gebruikelijk is.


Vuil metselwerk

Metselwerk dat later onzichtbaar wordt door de opgebrachte afwerklaag.


Wand

Weinig zware afscheiding tussen vertrekken en andere woonruimten onderling
alsook tussen deze en de buitenwereld. Primitieve wanden zijn inderdaad gevonden
van vlechtwerk, dichtgemaakt met koemest, leem, plaggen enz., later en
tegenwoordig meestal van hout (planken, schroten, schot- en paneelwerk) of van
gepleisterde tengels en riet (Brabantse wand). Is de wand van zwaar materiaal
gemaakt, zoals steen, dan noemt met hem liever muur. In het interieur geeft met
echter ook aan de behangen, bespannen of betimmerde muur de naam van wand.


Wang

Zijkant van een trap of dakkapel.


Wapening

1. Raam van ijzeren verticale staven en horizontale roeden dienend tot steun
van een gebrandschilderd venster.
2. Versterking van betonwerk met ijzeren roeden, vlechtwerk, gaas, teneinde
trek- en schuifspanningen op te nemen.


Wateren

Het langdurig in het water leggen van hout, teneinde de schadelijke minerale
zouten eruit te verwijderen. Wordt ook gezegd van goed nat maken van steen voor
het metselen.


Waterhol

Smal halfrond hol langs de onderkant van uitstekende delen van een gevel, zoals
dorpels en waterlijsten.


WBDBO

Begrip uit een NEN norm en afkorting van Weerstand tegen Brand- Doorslag en
Brand-Overslag.


Welstandstoezicht

Beoordeling uit esthetisch oogpunt van aanvragen voor een bouwvergunning. Deze
beoordeling vindt meestal plaats door een onafhankelijke commissie van
deskundigen, die aan het college van burgemeester en wethouders adviseert. In
1912 nam de gemeente Laren (Noord-Holland) als eerst in Nederland een
welstandsbepaling in de bouwverordening op en stelde een welstandscommissie in.
Pas na de tweede wereldoorlog werd welstandstoezicht een algemeen aanvaard
principe.


Welstuk

Bovenste trede van de trap.


Werktekening

Nauwkeurige tekening van de samenstelling en afmetingen van een constructie.


Windveer

Houten plank die tegen de buitenste rij pannen van het dak wordt geplaatst om
afwaaien te voorkomen.


Wolfseind

Zadeldak met wolfseind.


Zakgoot

Brede en diepe goot tussen twee verschillende dakschilden.


Zaling

De gootconstructie aan de ‘hoge’ kant van een dakdoorbreking ( b.v. schoorsteen
) in een dakschild. Ook wel zalinggoot genoemd.


Zakker

Druppel die het resultaat is van een te dik aangebrachte verflaag.


Zetting

Tot rust komen van vers metselwerk, vast raken van een boog of een gewelf door
het hard worden van de specie en de steviger verbinding van het materiaal.


Zoeten

Natuursteenbewerking, volgend op het schuren, waarbij met een mengsel van rauwe
en gekookte lijnolie het vlak wordt nageschuurd. Het oppervlak van de hardsteen,
dat meestal deze bewerking ondergaat, wordt donkerder en dieper van kleur.


Zoetschaaf

Ander woord voor vlakschaaf, een schaaf die niet diep schaaft maar alleen
afvlakt.


Zoom

Buitenrand van een dakbedekking van metaal.

Kennisbank, Perfectkeur actueel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Fill out this field
Fill out this field
Geef een geldig e-mailadres op.

Menu